Home » Pensioen » Nieuwe pensioenstelsel

De belangrijkste informatie over het nieuwe pensioenstelsel op een rij

Dit filmpje geeft een korte samenvatting van het nieuwe pensioenstelsel. Voor fysiotherapeuten in de eerstelijn geldt dat niet de vakbond en de werkgevers, maar de deelnemersvereniging, waar zowel werknemers als werkgevers in zitten, beslissen over de uitvoering van het nieuwe pensioenstelsel. Op de website van de Rijksoverheid vind je nog meer filmpjes met uitleg

Waarom een nieuw pensioenstelsel

Het huidige pensioenstelsel komt uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. In de meeste gezinnen was de man de kostwinner. En bleef hij 40 jaar bij dezelfde baas in dienst. Er is sindsdien veel veranderd. De opbouw van de bevolking, de economie en de arbeidsmarkt zijn anders dan vroeger. Mensen werken niet meer hun hele leven bij één baas. Ze veranderen vaker van baan of werken een tijdje voor zichzelf. Mensen worden ook steeds ouder en genieten dus langer van pensioen.

Het is belangrijk dat het pensioenstelsel daarmee rekening houdt. Daarom heeft het kabinet samen met werknemers- en werkgeversorganisaties in 2020 een pensioenakkoord gesloten. Daarin staan nieuwe afspraken over pensioenen en AOW. Het nieuwe pensioenstelsel moet uiterlijk ingaan op 1 januari 2027. 

Wat gaat er veranderen?

Door de afspraken uit het pensioenakkoord moeten alle pensioenfondsen hun bestaande pensioenregelingen aanpassen. Als dat is gebeurd, hebben we volgens het akkoord:

  • Een begrijpelijker en persoonlijker pensioen
  • Een duidelijker verband tussen de premie die je betaalt en het pensioen dat je krijgt
  • Een pensioen dat meebeweegt met de economie: het gaat eerder omhoog als het goed gaat met de economie, maar het gaat ook eerder omlaag als het slechter gaat
  • Een ander nabestaandenpensioen
  • De mogelijkheid om een bedrag in één keer op te nemen als je met pensioen gaat. Dit gaat waarschijnlijk al eerder in dan 2027.

Van uitkeringsregeling naar premieregeling

De huidige pensioenregeling van SPF is een uitkeringsregeling. In zo’n regeling zijn afspraken gemaakt over de hoogte die het pensioen kan bereiken. De financiële gezondheid van het pensioenfonds (de dekkingsgraad) bepaalt daarbij of de pensioenen worden verhoogd (indexering) of verlaagd. Om de pensioenen waar te kunnen maken, moeten pensioenfondsen nu veel reserves in kas houden. Dit zorgde er de afgelopen jaren voor dat de pensioenen niet konden meegroeien met de stijgende prijzen. Ook dreigden pensioenen soms zelfs omlaag te gaan.

Straks stappen alle pensioenfondsen over naar een zogenaamde premieregeling. Daarin zijn afspraken gemaakt over de hoogte van de premie, en niet over de hoogte van de pensioenen. Deze premie wordt belegd, net als nu. De hoogte van je toekomstig pensioen hangt directer af van de resultaten van de beleggingen dan nu het geval is. Het is duidelijker dat pensioenfondsen geen garanties kunnen geven over de hoogte van het uiteindelijke pensioen. Dit is afgesproken in het pensioenakkoord. De verwachting is dat dit voor iedereen een beter pensioen oplevert, omdat pensioenfondsen minder reserves in kas hoeven te houden.

Pensioenfondsen kunnen straks kiezen uit twee soorten premieregelingen:

  1. De solidaire premieregeling, of
  2. De flexibele premieregeling

In beide varianten is de premie het vertrekpunt. Werknemers- en werkgeversorganisaties bepalen samen de hoogte van de premie. Die premie is voor iedereen gelijk en wordt voor iedereen gezamenlijk belegd. Maar iedereen heeft wel een eigen aandeel in het vermogen van het fonds: een ‘pensioenpotje’.

Beide premieregelingen in het kort

De solidaire premieregeling

Bij de solidaire premieregeling heeft iedereen een eigen deel van een gezamenlijke pensioenpot die gezamenlijk belegd is. De waarde van de pensioenpot kan wisselen en hangt af van de beleggingsresultaten. Er zijn manieren bedacht om al te grote tegenvallers te voorkomen:

  1. Het beleggingsrendement wordt doelgericht over de leeftijdsgroepen verdeeld: voor jongeren is er meer risico en daardoor naar verwachting een hoger rendement, en voor (bijna) gepensioneerden is er minder risico met daardoor naar verwachting een wat lager rendement.
  2. Voor gepensioneerden kunnen de effecten van het beleggingsrendement over meer jaren worden uitgesmeerd. Zo wisselt de hoogte van hun pensioen niet te veel.
  3. Er is een buffer voor tegenvallers (de solidariteitsreserve). In goede tijden wordt deze opgebouwd, zodat hij in slechte tijden gebruikt kan worden om de pijn wat te verzachten.

De flexibele premieregeling

In de flexibele premieregeling heeft iedereen een eigen pensioenpotje. Het pensioenfonds bewaakt en belegt dat potje. Het pensioenfonds gaat daarbij uit van meer rendement en risico’s voor jongeren dan voor ouderen. Er is een zekere mate van beleggingsvrijheid, want iedereen kan kiezen hoeveel risico zij wil nemen bij het beleggen. Verder kunnen gepensioneerden kiezen tussen een vast pensioen of een pensioen dat zich aanpast aan de economische situatie.

Er kan ook hier gekozen worden voor een buffer voor tegenvallers. In goede tijden wordt deze opgebouwd, zodat hij in slechte tijden gebruikt kan worden om de pijn wat te verzachten. Zo’n buffer staat op gespannen voet met beleggingsvrijheid: het is kiezen of delen.

Wie kiest de regeling?

Vanaf uiterlijk 2027 bestaan er dus alleen nog maar premieregelingen. De deelnemersvereniging DPF bepaalt uiteindelijk welke regeling er wordt gekozen . Zij kiezen uiteindelijk voor één van beide regelingen. Beide regelingen hebben voor-en nadelen. Dus moeten deze organisaties goed nadenken over hun voorlopige keuze, die ze in princpe maken in 2022.

Bestaande pensioenen omzetten of niet?

Ook moet er beslist worden hoe om te gaan met bestaande pensioenen van mensen die nog werken of al met pensioen zijn. Omzetten naar de nieuwe pensioenregeling of niet? Wel omzetten naar de nieuwe regeling is in de nieuwe pensioenwet straks de standaardoptie, waarvan alleen afgeweken kan worden als er hele goede redenen voor zijn. Zetten we de bestaande pensioenen niet om? Dan krijgen deelnemers en gepensioneerden van SPF twee soorten pensioenaanspraken: het bestaande pensioen uit de huidige pensioenregeling in de vorm van een aanspraak en het pensioen dat vanaf de ingang van de nieuwe regeling wordt opgebouwd in de vorm van een pensioenvermogen. Dat maakt de administratie en de communicatie een stuk ingewikkelder en dus ook duurder. Ook hiervoor geldt dat er in 2022 in principe een voorlopige keuze wordt gemaakt.